Selecteer een pagina

De Tour de France staat deze zomer per traditie in veel Nederlandse huishoudens op het menu. Tom Dumoulin is er weliswaar niet bij, maar Steven Kruijswijk en zijn Jumbo Visma team maken ook veel los. Het moet nog ontbranden, maar de Nederlandse successen tot nu toe wakkerden de Tour-koorts in Nederland weer aan. Na het zo mooi verlopen WK voetbal voor vrouwen een mooie sportzomer met centraal de misschien wel meest heroïsche sport van allemaal.

Maar bij mij roept het vooral nostalgische gevoelens op naar de Tour de France van 1968. De zomer van Jan Janssen en Herman van Springel. De zomer van de eerste Nederlandse Tour-overwinning. Voor mij persoonlijk de zomer van het Zuiderpark en de tranen van geluk bij mijn vader Frans. De zomer ook van ‘Ome Pel’, Kees Pellenaars.

Niet voetbal, maar wielrennen was bij ons thuis in de jaren zestig dé sport op televisie en aan tafel. Mijn vader kwam uit een wielerfamilie. Mijn opa was jarenlang directeur-eigenaar van de vooroorlogse wielerbaan in Tilburg. Dat leidde tot een aantal wielerhuwelijken van de zes (!) zussen van mijn vader met wereld- en olympische kampioenen en eeuwige vriendschappen met veel mensen uit de wielrennerij. Onder wie zesvoudig wereldkampioen sprint Jef ‘Poeske’ Scherens.

Zo was Kees Pellenaars, de grote Nederlandse wielerploegleider van de jaren vijftig en zestig, voor mij en mijn zus ‘Ome Pel’. Een bijzonder joviale man, warm en hartelijk. Later ontdekte ik als sportjournalist, dat d’n Pel als ploegleider op zijn zachtst gezegd recalcitrant was. Maar dat doet niets af aan mijn eigen prachtige herinneringen aan de man met zijn bulderende stem, prachtige verhalen en onvermijdelijke sigaar. In de zomer van 1968 kwam dat allemaal samen. Zelfs de link met de Tour van Jan Janssen was heel dichtbij in ons flatje in Den Bosch aan de Van Veldekekade boven de winkelrij aan de Zuid-Willemsvaart.

Palingen vangen
De Tour maakte die zomer van 1968 aanvankelijk bij mij persoonlijk niet zo vreselijk veel los. Ik was tijdens de schoolvakantie samen met mijn maatje Daantje van Bers meer bezig met de visdagen in de vijver van het Zuiderpark, waar het wemelde van de palingen. Dag in dag uit zaten we aan de waterkant, aan de zijde van de grote speelweide. We vingen altijd wel wat. Paling en Zeelt.

Aan de waterkant werd de Tour wel steeds meer het onderwerp van gesprek bij passanten, die altijd een kijkje kwamen nemen bij de vissende jongens. Jan Janssen ging die Tour ondanks zijn tweede plaats van 1966 niet als een van de favorieten van start. Die rol lag bij de Fransen Roger Pingeon en Raymond Poulidor en vooral de Belgische tijdrijder en werelduurrecordhouder Ferdinand Bracke. Maar gaandeweg die fascinerende Tour kwam het geel steeds dichterbij voor Janssen.

Janssen had wel een geweldig nadeel hoorde ik daar aan de vijver van het Zuiderpark. Het was de laatste Tour met nationale ploegen. En de gecombineerd Nederlands-Luxemburgse ploeg startte met slechts een equipe van tien renners, onder wie de vader van de Schleck-broers, Johnny Schleck. Wielerland België had twintig coureurs aan de start, met België A en België B. Dus de Belgische favorieten Herman van Springel en Ferdinand Bracke hadden twee keer zoveel ploeggenoten als Janssen. In de laatste dagen zelfs bijna vijf keer zoveel. Janssen had immers nog maar drie ploegmaats over en Van Springel veertien.

Maar veertien ploegmaats of drie. Het ging die zomer mijn ene oor in en het andere weer uit. Die monsterpaling van een meter was veel belangrijker. Vermoedelijk was ik al die praatjes aan het water in het Zuidepark al lang weer vergeten als er niet die geweldige apotheose was geweest op de laatste dag. De zondag, die ik nooit meer vergeten zal, omdat het de eerste en de laatste keer was, dat ik tranen in de ogen van mijn vader zag opwellen en ook de eerste en laatste dag, dat hij ‘s avonds op televisie anoniem werd geciteerd.

Bracke toch de favoriet
21 juli 1968. De dag begint met een paar uurtjes vissen. Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om ‘s middags naar de Tour te kijken, want zelfs mijn vader, toch een wielerkenner, geeft Janssen niet veel kans tegen Van Springel, die al geel heeft en een veel betere tijdrijder is. Maar niet Van Springel is zijn favoriet. Nee, Ferdinand Bracke zal de Tour wel winnen. De beste tijdrijder van allemaal, zelfs werelduurrecordhouder. Hij staat vijfde op iets meer dan een minuut van Van Springel.

De verschillen zijn minimaal. De spanning enorm. En nu is het in retrospectief eigenlijk verbazingwekkend, dat mijn vader me met kracht moest overhalen om toch maar te kijken. “Want heel misschien vergeet je dit nooit meer”, houdt hij me voor. Hij hoopt nog altijd op een stunt van Janssen, want pa volgde de Tour al vanaf 1930 en gaf toe in 1951 hevig geëmotioneerd te zijn geweest toen Wim van Est met de gele trui aan in de Pyreneeën een ravijn in kukelde. Steeds lukte het de Nederlanders net niet en de Tour niet winnen, was toen voor de sportliefhebbers net zo’n obsessie als tegenwoordig de drie verloren WK-finales in het voetbal.

De schoonmoeder van D’n Pel
Intussen zit op die 21e juli ook Ome Pel voor de tv. Zoals ik al in mijn verhaal over de escapades van Fausto Coppi in het Zuiderpark beschreef, had Kees Pellenaars in zijn wekelijkse wielercolumn in De Televizier Janssen als kansloos omschreven met de legendarische woorden ‘Als Jan Janssen de Tour kan winnen, dan kan mijn schoonmoeder dat ook’. Pel belt die weken bijna dagelijks met mijn vader. Zondagochtend nog. Ik ben net thuis van twee vruchteloze visuurtjes in het Zuiderpark. D’n Pel spreekt de hoop uit, dat Janssen wint. Pel vond Janssen eigenlijk een beste kerel, een wielrenner naar zijn hart, hoewel het nooit echt goed boterde tussen de twee.

De uitzending. Wij kijken thuis niet naar de NTS (voorganger NOS) met wielercommentator Fred Racké, die eigenlijk -echt waar- Fred Raket heette. Mijn vader zweert bij de BRT (Sporza) met oud-wielrenner Fred Debruyne als souffleur. Een heerlijke Vlaming. Een man met een in mijn oren toen hoogst merkwaardige woordenschat. “Eddy is ongesteld”. Zo chauvinistisch als de pest, maar het zij hem vergeven. Hij is ondanks zijn toch rauwe en soms onverstaanbare Vlaams en zijn bijna irritante adoratie van Belgische renners in Nederland net zo populair als in Vlaanderen. En terecht.

Debruyne wordt stiknerveus bij de eerste tussentijden. Tot Van Springel voorbij komt, heeft Janssen de snelste tijd. Sneller dan Bracke zelfs. “Herman Van Springel is na tien kilometer vijf seconden sneller dan Janssen lieve sportliefhebbers”, juicht Debruyne. Maar hij moet dat weer snel inslikken. De tijdwaarneming klopt niet. Janssen is zelfs vijftien seconden sneller. Vervolgens komt het niet meer goed voor Herman en Fred. Ik hoor het als de dag van gisteren. “Weer een rappe tussentijd van de Nederlander Janssen. Herman moet harder.” “Dit valt niet meer te redden lieve Vlaamse sportliefhebbers. Het is Janssen, die gaat winnen.”

De laatste minuten staan voorgoed op mijn netvlies. Janssen huilend op de schouders van supporters. Mijn vader die roept “verdomme, een vlieg in mijn oog”. Terwijl ook ik als 12-jarige door heb, dat hij emotioneel is. Fred Racké die op tv duidelijk overstemd wordt door de legendarische radio-commentator Theo Koomen. Herman van Springel, die eenzaam uitrijdt op de wielerbaan. Winnen of tweede in de Tour. Toen een verschil tussen miljonair worden of een modaal salaris ontvangen.

De beelden zijn net een minuut oud wanneer de telefoon gaat. Ome Pel moet pa hebben. Hij is in paniek, want de pers hangt al aan de telefoon. Ik hoor mijn vader zeggen “Kees, vertel hen maar, dat je altijd achter Jan stond en dat je hem wilde inspireren. Het is toch een ludieke column?” ‘s avonds klinken die woorden van mijn vader door de ether via de tv. Uit de mond van Kees Pellenaars.

Veertig jaar dood
Mijn vader is deze maand al 46 jaar dood. Hij stierf op 17 juli 1973 na een ziekbed van anderhalf jaar. ‘s middags keek hij vanuit zijn ziekbed nog naar de Touretappe, met commentaar van Fredje Debruyne. Na afloop belde Kees Pellenaars hem op, zoals hij in de laatste week van mijn vaders leven elke dag deed. Enkele uren later overleed mijn vader. Vier dagen later bij de begrafenis sprak Kees Pellenaars alle aanwezigen toe namens de familie, want mijn moeder was te zeer aangedaan. ‘Ome’ Pel refereerde op warme wijze ook naar die zwoele zondagmiddag en de link tussen huize Van Geloven en de Touroverwinning van Jan Jannsen, voor mij nog altijd het hoogtepunt van de Nederlandse sport. Logisch dat je dat moment dan nooit meer kwijtraakt.

Jaren later, in 2005, vond ik zelf werk in de wielerwereld. Als communicatiespecialist bij de Rabobank Wielerploegen. Via die link kwam ik ook in contact met Jan Janssen, de held uit 1968 van mijn vader en met terugwerkende kracht ook van mij. Ik kon het niet laten mijn eigen topmoment tegen hem te vertellen. Janssens reactie was prachtig: “Dat zijn nou de dingen waar ik ook geëmotioneerd van raak. Nu nog, bijna veertig jaar na die overwinning klampen mensen mij overal aan over die ene dag. Nee. Dat vind ik niet vervelend. Dat inspireert mij nog steeds. Dit is ook een verhaal om in te lijsten.”

Dé wielergebeurtenis
Is deze zoete herinnering uniek? Nee. Voor veel leeftijdgenoten is de overwinning van Jan Janssen misschien niet dé Nederlandse sportgebeurtenis van de 20e eeuw, maar in elk geval dé wielergebeurtenis. Zo vertelde mijn vriend Jan Verhoeven, de beste en bekendste fysiotherapeut van Den Bosch, mij een soortgelijk verhaal.

Wij zijn ongeveer even oud. Ook bij hem is de 21e juli van 1968 nooit meer uit zijn geheugen te bannen. Hij kijkt die zondagmiddag samen met zijn vader naar de apotheose van de Tour, thuis in Orthen. Janssen wint. Een paar minuten later stapt de wat zonderlinge achterbuurman waar ze niet veel contact mee hebben met een flesje bier in de hand via de achterdeur de kamer binnen en stamelt huilend “Jan Janssen heeft de Tour de France gewonnen!” “Jan Janssen heeft de Tour de France gewonnen!” De man wacht niet op antwoord, draait om en is weg. Voorgoed lijkt het wel. Maar ook Jan denkt voor altijd aan dat moment. Ook Jans vader overleed niet veel jaren later, maar dit zijn de warme momenten, die de herinnering aan onze vaders in stand houdt. Of ze er nog zijn. Met dank aan de Tour van nu.

Tekst: Frank van Geloven
Foto’s en video: Youtube